Ben's blog
Terug naar de homepage

Er zijn 33 blog's in 5 pagina's en u bent op pagina nummer 1

Weer thuis na tweeduizend mijl.

Wil kwam het weekend van 6-8 aug met de trein naar Vlissingen om me welkom te heten. Het was een hevige ontmoeting na drie maanden. De Shalom IV lag mooi in de jachthaven van wsv De Schelde, dichtbij het station. Een gezellige, goedkope haven. In het restaurantje hebben we zaterdag met Jaap en Ger aan ’t Veer gegeten, en het was een succes. Wil ging weer terug naar huis en ik ging me klaarmaken voor het laatste stuk, dat niet makkelijk was. De depressies bleven komen en in begon eraan te twijfelen of ik wel over zee naar huis kon. Op dinsdag 9 aug. Hakte ik de knoop door: ik ga binnendoor. Dat betekent drie dagen stoeien met brugopeningstijden, sluizen en in file varen op drukke stukken. De regenbuien trokken over me heen en op de Oosterschelde stond zo’n hoge, steile zee dat ik de hemel dankte dat ik niet op zee zat. Alleen varen door binnenwater is niet ideaal. Vaak kun je het roer geen moment alleen laten om een kopje koffie te maken, omdat overal om je heen andere boten varen. De bottlenecks zijn de spoorbruggen en bruggen over verkeerssnelwegen. Ik heb ze allemaal gehad tot ik voorbij Haarlem eindelijk opgelucht kon ademhalen op het Noordzeekanaal. Over de Ringvaart van de Haarlemmermeer voeren we in een file van dertig jachten die me allemaal inhaalden. Mijn aangroei en weet ik wat er nog meer onder water aan de boot hangt voelde aan alsof ik een blok beton meesleurde. De Shalom IV moet straks echt grondig onderhanden genomen worden. Bij het wachten op een van de vele bruggen door Haarlem raakte een Duitser in de problemen. Hij zat vast in de modder en kon er op eigen kracht niet uitkomen. Mijn poging om dichtbij te komen en een lijn over te gooien mislukte, ik raakte zelf bijna in de wal en werd door de stormachtige wind weggedrukt. Gelukkig kon ik een motorboot praaien die de taak van me overnam. Dwars door Haarlem heen is een schitterende tocht – met mooi weer. Maar nu hoosde het onafgebroken. Na de laatste verkeersbrug ging ik langszij van een oude roestige tjalk en kon voor het eerst na zeven uur die morgen mijn oliegoed en laarzen uittrekken. De kachel en olielamp aan en wat eten maken en vroeg in de kooi. Het is misschien nog vermoeiender varen door het binnenwater dan op zee. Wat een verademing weer op het IJsselmeer te komen. De lucht brak open en met vol tuig en de motor bij haalde ik nog de Ketelbrug van half vier. Dat betekent dat ik die avond nog thuis kan zijn. Op de steiger in Ketelhaven leek het wel feest. De Yvonne B was ook net aangekomen. We hadden elkaar voor het laatst gezien in Fécamp, en andere zeilers vertelden hoe ze deze slechte zomer waren doorgekomen. Mijn auto was door de havenmeester Dick zo nu en dan gestart zodat de accu niet leeg was. Ik haalde de boot leeg. Na tweeduizend mijl op zee en veel fijne en minder fijne ervaringen begon het gewone leven weer. Eerst moet ik mijn nieuwe boek ‘De Golf van Biskaje – de tiende keer’ gaan klaarmalen en dan de nieuwe cursus De Overtocht naar Engeland organiseren. Ik stapte in de auto die luxe en zacht aanvoelde en reed door de prachtige polder naar Harderwijk waar Wil wachtte met zelfgemaakte soep en veel liefde.

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 14 August 2011 om 20:49

Dankbaarheid in Zeeland

Boulogne – Duinkerken is een mooi stuk, langs de kapen Griz Nez en Blanc Nez. Het zicht was zo glashelder dat je de kust van Engeland met de krijtrotsen van Dover vlakbij kon zien. En daartussen talloze vrachtschepen en veerboten. Het was onwerkelijk, sprookjesachtig bijna. In Duinkerken werd de cirkel rond. Drie maanden terug vertrok ik van hier naar Engeland, en nu kom ik langs de Franse kant weer terug. Wat daartussen zit is zoveel, daar heb ik een boek voor nodig om te vertellen. Het wordt steeds drukker met Nederlanders. Alsof de school is uitgegaan zoveel Hollanders met hun boten. Als ik de volgende dag weer op de motor tegen de noordenwind naar Oostende vaar is het nog erger. Ten eerste ziet het eindeloze Vlaamse strand van De Panne tot aan Heist roze van de zonnende mensen, het lijkt wel een mierenplaag.

Ik zoek een ligplaats maar alles is vol. Het licht van het Mercatordok staat op groen, dus ik ga er maar in alhoewel ik er een hekel aan heb, omdat je middenin de stad ligt met verkeer om je heen en bloedheet. Ik moet persen om in de box te komen, de stootkussens gaan helemaal plat. Om te kunnen douchen of elektra te krijgen moet je helemaal naar het havenkantoor op de sluis om munten te halen, ik denk er niet aan. Een oude man helpt me bij het aanleggen en als hij hoort dat ik de Golf van Biskaje ben overgestoken, zegt hij: ‘Doodsverachting!’ Deze 83 jarige man uit Antwerpen die in de haven als stuwadoor heeft gewerkt en zijn 82 jaar oude vrouw gaan een rol spelen in mijn boek. Het was warm en typisch Vlaams op hun motorboot. Maar de Belgen aan de andere kant van me deden ook hun best vriendelijk te zijn. En toen ik wegvoer gaven we elkaar een hand en wensten het beste. Toch blij dat ik in het dok met vlak achter me de enorme driemaster ben gevaren. Tussen de huizen is er geen wind en de zon brandde genadeloos op me, dus ik was blij de volgende dag weer op zee te zijn.

Ook op zee was het ontzettend druk. Bij het oversteken van de drukke havenmond van Zeebrugge telde ik tien zeiljachten, een containerschip, een Noorse oorlogsbodem, een zandzuiger en een kustvaarder om me heen. Op het scherm met AIS tekens lijkt het wel kermis. De Verkeerscentrale antwoordde me ook kortaf, er was geen beginnen aan om aan jachten informatie te geven over binnenlopende of uitvarende schepen. Je moest het zelf maar uitzoeken of je voor of achter een schip langs gaat. Hier kreeg ik de stroom mee en tot mijn verbazing maakte ik meer dan achtig knopen over de grond de Westerschelde in. Zeeland begon we meer te bekoren. Aan de overkant zie je de boulevard van Vlissingen, de mooiste boulevard van Europa, de grote schepen om je heen, de loodsboten die af en aan varen de snelle nieuwe veerboot Breskens-Vlissingen. Zeeland doet me altijd goed. Er kwam een gevoel van dankbaarheid over me heen. Ongelofelijk dat ik het heb gehaald en alles goed is gegaan. Ik kreeg een ligplaats en kon nu eindelijk de was doen en het schip klaarmaken voor de komst van Wil overmorgen. En toen hoorde ik iets dat ik in tijden niet gehoord had: tikken op het kajuitdak: dikke regendruppels. Welkom in Holland!

 

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 03 August 2011 om 09:26

Boulogne sur Mer

Van Le Havre tot Fecamp is gelukkig maar een kort stukje, zodat ik wat bij kon komen. Hier had ik weer een leuke ontmoeting met Kunny en Henk Broekhuizen, die met hun Yvonne B aan de andere kant van dezelfde steiger in Ketelhaven liggen. Ik werd uitgenodigd wijn te drinken en hoorde hoe ze met hun alumineum Koopmans in 3 ½ jaar rond de wereld zijn gezeild nadat ze hun huis verkocht hadden. Ze woonden daarna een jaar op de boot, maar hebben nu weer een appartement in Elburg en Henk werkt als technisch directeur bij een aannemer. Ze vertelden dat er wegens het vijftigjarig jubileum als jachtontwerper Dick Koopmans in september een reuni houdt in Lelystad. Lijkt me leuk met al die enthousiaste zeilers samen te komen en Dick te eren.

Dieppe is ook niet ver weg en ik zag de tenten van een hondenshow op de boulevard. Later op de avond vertelde Wil dat ze hier eens met haar man hun hond hebben geshowed en nog een prijs wonnen ook. Dieppe is een leuk stadje met een wandelgebied vol winkels en rijen restaurants aan de haven.

Om de vijftig mijl naar Boulogne te kunnen overbruggen moet ik vroeg weg en kan als ik flink doorvaar tweemaal een tij mee krijgen. Met de vloed uit het zuiden en dan kun je de ab die naar het noorden stroomt oppikken. Ik heb ergens dit fenomeen beschreven in een van mijn boeken. De boot loopt beroerd door de laag aangroei aan het onderwaterschip. Ik moet veel meer gas geven om dezelfde snelheid te krijgen. Ik hoop ergens in Belgie te kunnen droogvallen om te schrobben, want dit is niks. De wind is zoals al weken noord, dus pal tegen. Hoe is het toch mogelijk: langs de Engelse kust had ik voortdurend westenwind, dus tegen en nu vaar ik in tegenovergestelde richting en heb al wekenlang noordenwind. Het betekent: hakken, soms knallen in de golven met veel buiswater en je spieren worden konstant onder druk gezet ondanks dat ik zit in de kajuit ingang.

Om vier uur loop ik binnen. Tien uur heen en weer gesmakt, maar met mooi uitzicht en stralende zon. En op zaterdag is de Wereldomroep met een programma over cabaret best aardig. We schieten op in de goede richting en het vooruitzicht dat Wil in Vlissingen wacht geeft energie.

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 30 July 2011 om 17:55

Haven blues en Cherbourg

Na Camaret moet je de Chanel du Four door, ook zo’n gevreesde route met grote stroomversnellingen en als het waait vervaarlijke golven. Maar nu viel het mee. Ik maakte wel acht knopen over de grond, maar er stond niet bijzonder veel zeegang. Er kwam een wedstrijdjacht met gele laminaatzeilen op me af met een Nederlandse vlag en ik maakte foto’s. Toen ik naar de marifoonentenne wees kregen we kontakt. Ze waren op de terugweg van de Race en Rally Rotterdam-Brest. Opeens zei de man: ‘Maar dan bent u zeker Ben Hoekendijk?’ Leuk zo’n moment van kontakt. L’Aberwrac’h is de eerstvolgende haven. Het is eigenlijk een riviertje met een aanloop tussen een zee van rotsen, maar je kunt er tenminste bij elk tij naar binnen. Hier zou ik vijf dagen vast komen te zitten, omdat weer een depressie over ons hoofd zat. Gelukkig kwam ik hier Frits en Ineke Berkel tegen, de voormalige voorzitter van de Kustzeilers en Hylke en Nel Jorritsma. Aan boord van de Pintail hebben we gezellig wijn gedronken en ons lot besproken. Je moet erin berusten. Ook al wil je verder, zee op gaan is uitgesloten. Ik reed met een klein busje met een dikke vrouw achter het stuur naar een nabijgelegen dorp Landes om inkopen te doen. L’Aberwrac’h bestond slechts uit een rijtje huizen, een restaurant, cafe en een enorme zeilschool. Landes bleek een somber plaatsje gebouwd rond een oude kerk met een vreemde grijze toren met aangroei. Een supermarkt, een boulagerie, een patisserie en een cafe, dat was alles. Omdat ik op het busje moest wachten dronk ik koffie in het cafe, waar het onverwacht druk was. Mannen die zwijgend aan de toog naar hun pils kijken en als er een nieuwe binnenkomt een hand uitsteken en de vrouwen worden losjes gekust. Ik dacht: ‘Als ik hier meer dan  drie uur zou moeten verblijven ga ik dood.’

Ik lag eerst naast een Frans jacht te rijen, en de Fransman snapte niets van privacy. Hij stapte op m’n boot, soms meteen in de kuip en rommelde wat aan de lijnen. Toen hij later wegvoer ramde hij bijna een ander schip. Ik verkaste naast een armoedig Engels jacht met Nick en Mell, twee verliefde jonge mensen die naar de Carieb wilden. Ze hadden anderhalf jaar vrijgenomen en dit was hun grote droom. Ze vroegen me allerlei over de Caribische eilanden, waar het leuk was en zo. Ik gaf hen de twee jerrycans die ik voor de Golf van Biskaje had gekocht in Falmouth, die had ik niet meer nodig. Maar gezien de staat van hun boot vraag ik me af of ze het halen. Maar ja, jong en vol goede moed, misschien halen ze het juist wel. Er lag nog een Nederlande Victoire 933, net zo’n boot als de Shalom IV, maar veel nieuwer en mooier, de Elsje. De alleenzeilende schipper van zesenzeventig kwam van de grote vaart en gaat na het overlijden van zijn vrouw elk jaar drie maanden zeilen. Later zouden we vaker kontakt hebben. Er was internetverbinding, dus op zichzelf was het geen slechte tijd, alleen je voelt je opgesloten. Je wilt verder, maar kunt niet. Ik wandelde naar de Semafore om foto’s te maken en zag kleurige hagen hortensia’s.

Eindelijk konden we weg. Het werd een hele uittocht. Op zee haalde de Pintail me in in de verwarde zee boven Ile de Batz. Er stonden nog grote golven van de harde wind van de laatste dagen. We doken in het gat van Trebeurden en gingen buiten de marina aan een ton liggen. De Elsje bleef buiten, ook al rolde en stampte je als een gek, maar toen het licht groen werd en er dus genoeg water stond om naar binnen te varen, voer ik naar binnen. Heerlijk om op een stille boot te zijn die niet heen en weer gesmeten wordt.

De volgende morgen wachtten we tot het licht weer groen werd en vertrokken met redelijk weer, maar nog wel die hoge deining van de afgelopen dagen. Je vaart onder de Sept Illes door en komt langzamerhand in de monding van de Riviere de Pontrieux met aan het eind de jachthaven van Lezardrieux. De brede monding is opnieuw bezaaid met rotsen en ondieptes. Het tij begon tegen te lopen, maar de golven kwamen nog uit zee. Dat leverde een gigantisch spektakel op. Grondzeeen, steile golven, dwarsgolven. Ik werd genadeloos heen en weer en op en neer gekwakt. Bij het binnenvaren had ik veel steun aan de elektronische kaart, maar maakte toch een fout en zat aan de verkeerde kant van een baken! Dan is de elektronische kaart weer prima om je te tonen waarheen je moet varen om uit het gevaar te komen. Ik vraag me dan af waarom je zo’n stomme fout maakt. Ben je niet meer alert? Ik was door alles toch knap wiebelig op mijn benen. We voeren nu tegen de ebstroom plus de stroom van de rivier in en dat shiet niet op. Met een 3 tot 4 knoop kropen we de lange rivier op. Je komt dan in een andere wereld terecht. Hoge oevers met bomen, luxe buitenhuizen, zeilscholen met bootjes met gekleurde zeilen, allerlei boten om je heen, en na een bocht lag daar in de zon de haven. Meteen was het warm en kon het oliegoed uit. Je kunt je ontspannen. Er was stroom, internet, diesel. Ik dacht: ik ga een dag rust nemen en alles klaar maken voor de oversteek naar Guernsey. De schipper van de Elsje kwam op de borrel. Hij dacht er net zo over, ook omdat de noordenwind pal tegen is. Overmorgen is die wat afgezwakt en kunnen we er tegenin motoren. Je passeert dan de Roches Douvres, een eenzame rotsformatie midden in zee die je passeert als je naar Guernsey vaart. 

Ik liep de berg op naar het dorpje waar een markt was en kocht een flink stuk vis en veel groente en fruit. Wat een schattig plaatsje. Overal grote bloembakken met uitbundig bloeiende bloemen. De markt is duidelijk het hoogtepunt van de week. Het is er gezellig en druk en bij de geldautomaat ontmoette ik andere Nederlanders, als bootmensen te zien aan hun schoenen. Zij gaan juist de andere kant op, naar Bretagne. Al met al was Lezardieux een prima stopover op weg naar het meer-dan-Engelse Guernsey waar ik morgen hoop aan te komen.

Het stuk langs de Roches Douvres naar Guernsey heb ik de wind pal tegen en een hoge zee. Tot de rotsen met een vuurtoren erop kunnen we zeilen en ik houd de Elsje keurig bij, en denk: het valt wel mee met de aangroei. Maar voorbij de rotsen die middenin zee liggen moeten we hoger aan de wind varen en wordt het motor-zeilen. De eilanden Jersey en Guernsey met Sark en little Sark komen prachtig in beeld. Wat heb ik hier veel herinneringen liggen. Helaas mis ik de Scheep Race die juist dit weekend gehouden wordt op Sark. In de haven van Peter Port blijf ik in de buitenhaven om morgen meteen weg te kunnen als het tij het toelaat. Ik meer af naast Hans van de Elsje en we drinken een biertje. De knagende eenzaamheid van de afgelopen maanden lijkt voorbij te zijn, er liggen trouwens veel meer Nederlanders in  de haven. Guernsey is veranderd. De leuke oude overdekte markt is veranderd in een verzameling dure boetiekjes en de oorzaak ligt voor anker voor de haven, het gigantische cruiseschip, volgens mij de Statendam waarvan de tenders af en aan varen.

In het stuk van hier naar Cherbourg moet je door de Alderney Race, een stroomversnelling vergelijkbaar met de Raz du Sein en het Chanel du Four. Het is begrijpelijk als je de kaart ziet, het tij dat van de Atlantische Oceaan komt stuwt zich tussen de eilanden op en enorme stroomrafelingen en steile golven zijn het gevolg. Hans en ik zeilen door de Little Russel en dan roept hij me op kanaal zestien op met de mededeling dat hij een net in  z’n schroef heeft. Ik zeg dat ik standy blijf en hem eventueel de haven in zal slepen. Hans gaat aan het werk in  z’n zwembroek op de zwemladder en weet het vijftien meter grote net waarin nog een paar dode vissen vastzitten los te snijden, een geweldige prestatie. Samen varen we de Race in en worden genadeloos heen en weer en op en neer gesmeten. Ik zit uren aan het roer omdat ik deze afstraffing de Autohelm niet wil aandoen. Van eten komt niets. Op een gegeven moment maak ik 9.5 knopen over de grond! We scheuren langs Cape de la Hague en bereiken een uur na hoogwater Cherbourg. Ik wil droogvallen omdat mijn aangroei me een halve of misschien wel een hele knoop langzamer maakt dan precies dezelfde Victoire van Hans. Maar als ik langs een muur die daarvoor vaker gebruikkt wordt probeer langszij te kom en loop ik vast en kom met veel motorgeweld ter nauwernood los. Er is ook geen trap of iets waaraan ik mijn landvasten kan vastmaken. Ik laat het plan varen, dan maar langzamer naar Holland terug en zie bij het zoeken naar een ligplaats in de grote marina de Pooh van Henny en Hanneke ten Damme. Dit zestigvoets alumineum jacht zag ik voor het eerst in Marinique en Hans werkt net als ik voor het blad Zeilen.

Hans zoekt op de steiger een lege plaats voor me en even later zit ik in de kajuit terwijl drie kindertjes vrolijk met hun leven spelen op het dek. Henny is deze winter ‘even’ overgestoken naar de Carieb en is nu met z’n gezin met vakantie. Herinneringen uit die tijd in Martinique komen boven. Ik ga voor twee dagen betalen bij  de Capitainerie, want alles is op en ik ben uitgeput. Maar voordat ik terug aan boord van m’n eigen schip ben ga ik nog langs de Elsje en hoor dat er toch schade is van het net in de schroef: Hans heeft geen achteruit meer. Maar hier de wal op kost een kapitaal. Hij gaat van hier rechtstreeks naar Le Havre en Holland en daar repareren. Het net heeft dus nog een gevolg, ook financieel. Er liggen veel Nederlanders hier. Ik zie Kustzeilersvlaggetjes en hoor van een ander schip dat ze op mijn pilot varend hierheen zijn gekomen. Dus de komende tijd heb ik wel de noldige aanspraak.

 

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 24 July 2011 om 20:47

Met elf knopen door de Raz de Sein

De operatie huurauto en foto’s van Carnais is gelukt. Lorient is een prettige stad met een enorm uitgebreid estuarium waarin zowel grote schepen, marine (duikboten), vissersschepen en jachten zich met elkaar vermengen. Interessant, maar somber, is de gigantische bunker middenin de haven waar tijdens de oorlog duikboten in konden varen en beschermd waren tegen aanvallen uit de lucht. Je vaart met een ‘water bujs’ van de marina Kernavel naar het centrum van Lorient. De volgende dag voer ik niet zo ver, naar Cancarneau, waar de festiviteiten rond de Quatorze Juillet uitbraken met muziek en vuurwerk. De Ville Close is een middeleeuws fort met straatjes vol winkeltjes en doedelzakspelers. Ik zat erover in hoe ik de Raz de Sein moest nemen en ontdekte een Engelse boot met twee zeer vriendelijke broers die me meteen uitnodigden voor een glas wijn. Wat had ik daar behoefte aan, met mensen te kunnen praten over de navigatie. Ik moet alles alleen uit kaarten en boeken halen en dan is het heerlijk om je plan met iemand te kunnen doorpraten. De jongens en hun schip, een grote Hallberg Rassey (een erfenis) kwamen uit Guernsey. Nee, ze maakten het meteen duidelijk, we zijn geen Engelsen. Ik noemde het boek van Ebenezer la Page en kende de eerste regel van hun bijna-volkslied ‘Sarnia, mon cherie’. Ik mijn pilot staat het hele verhaal. Dat was een goede binnenkomer, want mensen en hun eiland is in alles apart en dat willen ze zo houden ook. Zij zouden misschien ook de volgende dag door de Raz gaan, maar wisten nog niet of ze vanavond niet teveel bier zouden drinken met het feest.

De Raz de Sein is een stroomversnelling tussen de vaste wal en het eiland Ile de Sein waar je respect voor moet hebben, vergelijkbaar met de Pentland Firth in Schotland. Als er maar een beetje zeegang staat komen hier gigantische zeeen op je af. Je moet eigenlijk precies met stil water, dus tussen eb en vloed in, passeren, maar dat lukt natuurlijk nooit. Het probleem is dan als volgt: hoe groot is de afstand tussen Concarneau en de Raz, hoe hard vaar ik, hoe laat moet ik vertrekken om daar op tijd te zijn. Maar je weet nooit precies hoe hard je vaart met gedeeltelijk tij tegen en dan weer mee en met de ebstroom moet ik erdoor. Bovendien moet je daarna ergens heen. Camaret sur Mer was de enige optie, dus dan komt er nog een kleine twintig mijl bij. Een lange tocht dus. Ik stond om vijf uur op, at wat en maakte het schip klaar en met het eerste daglicht om zes uur ging ik zee op. Er was geen wind, dus motoren.

Je hoopt dan dat er meerdere boten diezelfde plannen hebben, want stel dat je je vergist hebt, dan kun je nergens heen. Het gekke was dat toen ik de Raz naderde volgens mij de stroom mee was maar ik toch jachten naar me toe zag varen en dat is de hele tijd zo gebleven. Soommige Fransen varen vierkant tegen het tij in! Ik riep dat jacht uit Guernsy op, maar kreeg geen reactie – teveel bier op zeker. Toen naderde ik met sneltreinvaart de Platte, het baken dat de doorvaart aangeeft. Het leek of de Shalom IV opeens een raket ontstak en opsteeg. De zee was gelukkig kalm, maar je moet er niet aan denken als het stormt wat voor taferelen zich hier afspelen. Trouwens daar zijn foto’s van, de vuurtoren wordt dan tot aan de nok door een en enorme golf overspoeld. Ik zag op de instrumenten de snelheid oplopen. Acht knoop, dat is hard voor een klein jacht als het mijne. Maar het ging harder: negen knoop, tien knoop, en toen ging de teller met ‘snelheid over de grond’ naar elf knopen! Zo hard heeft dit scheepje nog nooit gevaren. De verwarde golfslag en stromingen die je alle kanten uit gooien kwam daarna. Maar ik kon rustig koers zetten naar de bakens van de invaart van Camaret waar ik om half vijf binnen kwam. Dat was meer dan twaalf uur intensief varen en ik was bekaf.

Om door de volgende flessenhals te kunnen, het Chanel du Four, moest ik na de middag weg. Ik had dus de morgen om naar het dorpje te lopen, zag het leuke kerkje, het fort en dezelfde boot die ver weg van het water op stelten op het droge staat. Volgens mij heb ik daar vijfentwintig jaar geleden ook een foto van gemaakt. Ik ontbeet in een winkeltje met verse croissants en koffie, kocht een Telegraaf en begon aan weer een spannende tocht. Het leuke van Camaret is dat het aan een beschut water ligt vlakbij Brest en er dus wolken kleine bootjes met gekleurde zeiltjes om je heen dwarrelen. En dat je weer Nederlandse vlaggen ziet. Heerlijk is dat. Opnieuw: rustig weer, alhoewel het met het hogedruk gebied afliep en het begon te regenen, hopelijk krijg ik geen zwaar weer waar de Navtex van spreekt. Nederland ligt al dagen onder een lagedruk gebied. Ik zie het op de weerkaart en hoor de ellende verhalen op de korte golf bij de Wereldomroep. Dat die zender wegbezuinigd wordt is een grote schande (teken de petitie, hoor ik dan honder keer achter elkaar). Wereldzeilers hebben ook hun ‘Band met Nederland’ via de Wereldomroep. Alle zeezeilers overal in de wereld ‘halen’ uit die kortegolfuitzendingen ‘leeftocht’, zoals Slauerhoff dicht in ‘Brieven op zee’.

Van baken tot baken en boei tot boei kwam ik door het Chanel du Four met als hoogste snelheid acht knopen over de grond. Een wedstrijdjacht haalde me in en ik maakte foto’s van de gele laminaat zeilen, een mooi gezicht met de vuurtoren van Le Four op de achtergrond. Ze kwamen dichtbij en ik wees naar de marifoonentenne. Ik klom naar binnen en hoorde over de radio dat ze meegedaan hadden met de wedstrijd Rotterdam-Brest en op de terugreis waren. Ze zullen me een mailtje sturen en ik stuur hun dan een foto. Toen kwam het bijna onvermijdelijke: ‘Ben jij dan Ben Hoekendijk? Ja, we dachten al: Shalom is een bekende naam.’

L’ Aberwrac’h is een haven in een riviertje met aanloop tussen rotsen en bakens (een ervan draagt de leuke naam ‘Petit Pot de Beurre’) waar ik wel eens vaker geweest ben, maar nu is er een marina gebouwd waar ik een rustdag neem. Er is een wasmachine en wifi en ik ben er aan toe om even niet spannend te moeten navigeren. Eigenlijk is de weg nu verder ‘down hill’ Het Kanaal in. Maar vergis je niet, tot de laatste dag moet je alert blijven en ben je afhankelijk van het weer. De aangekondigde depressie komt nu over me, de barometer daalt scherp en het begint te misten en te regenen, typisch warmteftontweer. Daarna draait de wind naar het noordwesten. Dat zal pas maandag zijn. Ik moet dus enkele dagen afwachten, wat geen straf is. De was moet gedaan worden, de oliefilters van de motor moeten vernieuwd worden en zovoorts.

Met mijn Franse buurman heb ik de volgende route besproken. Het probleem is dat van hier tot Saint Malo geen diepe havens zijn. Je kunt alleen maar met hoogwater naar binnen en er pas weer uit bij het volgende hoogwater, maar dan heb je de ebstroom tegen. Ik denk dat Perros Guirec de beste optie is. En vandaar rechtstreeks naar Guernsey. Dan ben ik van die beperkingen verlost en vaar ik wat eenvoudiger naar Vlissingen waar Willy wacht.  
Geplaatst door Ben Hoekendijk op 16 July 2011 om 11:06

Les sables d'Olonne en verder

Toen ik vanuit Pot Medoc vertrok om de machtige mond van de Gironde uit te varen zat ik opeens in een mistbank. De kerktorens van Rouan kon ik er boven uit zien steken. Met de radar aan en de elektronische kaart, dacht ik: mij kan niets gebeuren. Maar op het computerscherm zag ik een AIS (automatic identification signal) recht op me afkomen. De naam Guyenne erbij. Ik riep hem op, maar kreeg geen antwoord. Ik legde de boot op een dwarskoers om uit zijn richting te komen en toen opeens doemde uit de witte soep een enorme kustvaarder op, met een witte boeggolf en was meteen weer verdwenen. Heeft de AIS me voor een ramp behoedt? Het eiland d’Orleon is lang en daarna kun je pas op La Rochelle aanvaren. Op dit laatste stuk kreeg ik fikse stroom mee en voer met 8 knopen de lichtenlijn aan. De jachthaven is de grootste van Frankrijk met 3600 schepen! Met een ‘waterbus’ ging ik de volgende dag de stad in om foto’s te maken. Je vaart dan tussen de twee forten door die vroeger gebruikt werden om de haven met een ketting af te sluiten. Opeens zit je dan middenin het toerisme. Rijen terrasjes, tenten met souvenirs en drukte.

Het stuk daarna werd een test voor schip en bemanning. Toen ik tegen de golven inhakte om de haven uit te komen twijfelde ik even of ik niet teurg zou gaan. De gribfiles klopten helemaal niet. In plaats van vijftien knopen west kreeg ik 24 knopen noordwest en enorme buien die over het eiland Ile de Re op me afkwamen. Ik voer onder de hoge brug door en toen het een beetje rustig werd zette ik een derde rif. Onder de bescherming van het eiland ging het goed, maar daarna kreeg ik de volle deining (houle, swell) op me af. Die wordt aangegeven in de weerberichten die je bij de capitainerie ontvangt, en waren 1.5 hoog en om de 8 seconden. Met een klein stukje voorzeil en de motor bij denderde ik tussen die zeeen door. Moet je voorstellen dat je elke acht seconden een op- en neergaande beweging maakt van anderhalve meter ondergaat. Ik zat aangelijnd in de kuip en dat doe ik niet gauw. Naar beneden gaan om naar de computer te kijken of een kop koffie uit de thermoskan te halen was een halsbrekende klimpartij. Een keer dook de boeg in zo’n steile golf dat vast water over de voorplecht rollde, tegen de kajuit botste en een waterval over de buiskap maakte.

Opeens zag ik allemaal kleine witte plukjes in de verte op de oceaan en sommige waren gekleurd. De hele horizon was ermee bedekt. Toen drong het tot me door dat er een grote zeilwedstrijd aan de gang was en ze voeren op de rood-witte boei aan, waar ik ook omheen moest. Ik maakte spectaculaire foto’s van felgekleurde spinnakers boven een grote golf uit. De nadering van de haven van Les Sables d’Olonne was spannend. De hoge zeeen kwamen hier in het nauw met ondieper water en ik rolde als een gek op de pier af. Er kwam ook nog een bui met windstoten en slagregen over me heen toen ik onder de bescherming van de pier tegen de wind instuurde om het grootzeil te bergen, de stootkussens uit te hangen en de lijnen voor en achterop vast te maken. Als ik dan een haven binnenvaar hoef ik alleen maar op het roer te letten. Les Sables is een enthousiaste zeezeilcentrum, met de Vendee Globe, alleenzeilwedstrijd rond de wereld, de Horta race enz. Wat ik zag was een wedstrijd die van verschillende havens aan de Vandee vertrekt, de ’26 th Course Croisiere des Ports Vandeens’.

In de jachthaven kreeg ik een goede plek waar ik uitkeek op een rij restaurants, een paar kerktorens en de vissershaven. In de overdekte markt kon ik vers voedsel kopen en een dag bijkomen van de vermoeidheid. Alleen toen ik wilde vertrekken bleek (toevallig zei een Franse zeiler dat tegen me) dat de haven van Ile de Re gesloten was wegend de wedstrijd die ik op zee gezien had. Bestuderen van de kaart en besloten naar L’Herbaudiere te gaan, dat is verder, maar dan is het stuk naar Belle Ile weer wat korter. Mooie vaardag en bij de ingewikkelde invaart voeren schepen me voor. In de haven kwam een meisje van de Capitainerie met een klein bootje op me af en wees een ligplaats aan. Het dorpje bestond voornamelijk uit vakantiehuizen, souvenirwinkels en restaurants. Ik kocht een Telegraaf en crousants en drinken voor onderweg. Waarom ik in deze haven dertig euro moest betalen is me niet duidelijk. De volgende dag prachtig weer, maar wel noordenwind, dus tegen. De motor moet het werk weer doen. Belle Ille is op en top een vakantie eiland met een kleine haven die steevast afgestampt vol is. Ik besloot een boei buiten de haven te nemen, het rolde wel, vooral als er weer een veerboot langskomt, maar ik ben vrij en maak een uitstekende maaltijd met aardappels, cornetbeaf en groente. Morgen naar Lorient waar ik een auto ga huren om de Standing Stones van Carnais te fotograferen. Die heb ik al lang willen zien. Flaubert heeft gezegd dat er meer wilde verhalen over deze meer dan drie duizend  menhirs dan er stenen zijn. Een ervan is een christelijke legende dat het heidense soldaten zijn die Paus Cornelius achtervolgden en door hem in stenen werden veranderd.

 

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 11 July 2011 om 15:01

Een zwaar stuk ligt achter me

Dat moet je in zeemanstermen nooit zeggen, dat weet ik wel, want de meeste schepen vergaan in ’t zicht van de thuishaven. Maar goed, na vier dagen Cap Breton om zes uur ’s morgens uitgevaren, samen met de Duitse Sabrina voor het stuk van zestig mijl naar Arcachon, de enige onderbreking van een eindeloze kust met alleen maar strand. En om het leuker te maken schieten de Franse hier met raketten, behalve ’s nachts en in het weekend. Tegen de avond wachtte ik bij de rood-witte aanloopton op de Duitser die met z’n dikke Moody minder snel tegen de golven in kon beuken als de slanke Shalom IV . Deze invaart staat bekend als ‘tres dangereux’ en de kaart klopte ook niet meer. De vaargeul was met een grote omweg verlegd. We riepen de Semaphore Cap Frehet op en begonnen met de vloed mee binnen te lopen. Ik was erg blij dat de ‘Duitse engel’ voor me uit voer, zodat ik niet zo gespannen op de boeien hoefde te letten. Want met buiswater over je heen en een kaart die niet meer klopt valt dat niet mee. We kwamen in de enorme marina (2600 boten) aan, maar waren niet erg welkom. De haven zat propvol. De Duitser vond alles ‘scheise’. De plannen besproken: overmorgen, zondag, zou er niet geschoten worden, dus dan kunnen we verder. Het is wel heerlijk als alleenzeiler dat je met iemand kan overleggen. Ik ervoer het als een zegen.

Na een rustige dag met boodschappen doen op de fiets, watertanken, eten koken enz. vertrokken we weer bij het licht worden voor de laatste zestig mijl van deze ellendige kust.  Maar de ’18 Heurs van Arcachon’ was aan de gang, dus we moesten slalommen tussen wedstrijdjachten door die de hele nacht gezeild hadden. Het ‘basin’ van Arcachon is een enorm binnenmeer met duizenden boten. Op zee was het een kwestie van mijlen maken, uren tellen, het aftellen van DWP (distance to waypoint), soms sms-en met Wil, wat eten maken, de Duitser oproepen, de Telegraaf die ik in Arcachon gekocht had, spellen en maar wachten tot je er bent. Om 1900 uur liepen we de rood-witte aanloopton van de Gironde aan en nu begon het zoeken naar kleine groene tonnen die de weg aangeven naar Port Medoc.

Intussen had de Samira op kanaal 77 al aan zijn Duitse vrienden verteld dat we eraan kwamen en die hadden al een ligplaats voor ons besproken. Ik werd toen met huid en haar in de Duitse wereld ondergedompeld. Ze meldden dat er een ‘Empfang Kommando’ – moeder! - klaar stond op de steiger om mijn lijnen aan te pakken. De mond van de rivier de Gironde is enorm wijds en aan de overkant zie je Rouan liggen waar een veerboot van Cap Grave naartoe vaart. Een draaikolk waar het water van de vloed, die ik gelukkig mee had, botste tegen het rivierwater gooide mijn boot bijna helemaal rond. Ik ben nu eigenlijk op bekend water, want toen ik in ’95 vanaf de Middellandse Zee door het Canal du Midi kwam ben ik hier ook langs gevaren. Hoe ik dat toen voor elkaar gespeeld heb zonder gps is me een raadsel.

Het werd een Duitse avond in de kuip van de Samira met zes wereldzeilers en ik. Veel wijn en waar gaat het gesprek dan over? Over dieselbacterien! Nogal dizzy kwam ik aan boord terug. Dankbaar voor de gezelligheid en vooral dat dit zwaarste stuk achter me ligt. Na twaalf uur motorgeronk ben je blij met de stilte.

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 04 July 2011 om 14:38

Frankrijk

Het Guggenheim-museum in Bilbao was adembenemend! Ik zag de ‘puppy’ al van  ver. Het stadscentrum is modern en levendig. Met de metro was het schiereiland waaraan de marina ligt een half uur rijden. Maar je bent dan meteen middenin de stad, een hele overgang. Het beeld van het kleurrijke hondje voor het met platina-platen bedekte gebouw in allerlei onverwachte vormen is bedekt met bloemetjes. Daar krijgt het zijn kleur vandaan als contrast met de zakelijke kleuren van het metaal waaruit het gebouw is opgetrokken. Ik zag de idiote felrode installatie ‘The Luminous interval’ net een grote octopus met ook nog een moderne auto erin. Het verhaal erachter is dat de Griekse filosoof Nikos Kazantzakis geloofde dat verval en ontreddering noodzakelijke attributen zijn voor het scheppen van creativitieit en vernieuwing. Je moet dat wel ver zoeken in dit monsterachtige dier. De tentoonstelling ‘Learning through art’ werd door 6 tot 12 jarige kinderen gemaakt die de dingen welke ze op school leren duidelijk maken met film, foto’s, schilderen, beeldhouwen en digitale techniek.

Ik vertrok weer vroeg naar de volgende stopplaats Guaterna, volgens de pilot een van de mooiste oude stadjes van Noord-Spanje. Het was inderdaad een plaatje. Al tussen de havenhoofden zag ik de roodstenen kerk die op een hoogte stond, uitkijkend op de haven en het was druk, ongelofelijk wat een mensen. Zaterdag, bloedheet. Iedereen zwom of speelde met bootjes, alle terassen stampvol. Eerst hadden ze geen ligplaats voor me, maar ik kon toch niet zomaar zee opgestuurd worden? Een schietgebedje. Ja, er kwam over een uur een plaats vrij. Toen ik gedouched had (het zweet liep langs m’n lichaam) en wat aangetrokken had dat iets meer op normale kleding lijkt en wilde gaan eten werd ik teleurgesteld: er was geen plaats meer vrij, en bij een tweede restaurant: de keuken ging pas om acht uur open. Ik dacht: zoeken jullie het dan maar zelf uit en ging aan boord de rest van de kip met appelmoes en rijst eten die ik nog van de vorige dag over had.

Nu moest ik weer een sprong van meer dan veertig mijl maken om aan de overkant te komen van de bocht die de Golf hier maakt. In feite zat ik al bijna in Frankrijk. De bergrug langs de kust met prachtige vergezichten moest ik vaarwel zeggen. Je ziet vanuit zee die bergen langzaam in de verte wegtrekken en overgaan in de Pyreneen, met daarna een lage vlakte met dennenbomen. De smalle ingang van Cap Breton was makkelijk te vinden want een armada van bootjes voer in en uit. Ik had keurig de Franse gastvlag gehesen en berekend dat ik om 1300 uur hoogwater had. De haven is ondiep en kun je alleen maar twee uur voor of twee uur na HW binnenlopen. Maar dat moet je dan al plannen voor je weggaat. Ik ging om half vijf, nog in het donker zee op, maakde een prachtige zonsopgang mee en kwam op de kop af om 1300 uur binnenlopen.

Ik heb door Het Kanaal geworsteld tegen zuidwestenwind, en nu ik op de terugweg ben, is de wind…oost. Hoe is het mogelijk! Deze Franse haven stal mijn hart. Bij de Capitainerie werd ik beleefd en hulpzaam ontvangen. Ik betaalde 24 euro per dag en boekte voor twee dagen. Er was wifi, ik kreeg alle informatie over winkels, weer en de schietbaan waar ik doorheen moet op weg naar het noorden. Bovendien kreeg ik een tas van het bureau de tourisme met niet alleen alle folders, maar ook een fles rode wijn, zo blij waren ze dat ik naar deze uithoek van Frankrijk gekomen was. Ik vierde mijn aankomst met in het restaurant naast de haven mosselen met friet te gaan eten. De man van de capitainerie sprak een paar woorden Engels, maar je kon hier tenminste met Frans terecht. In Spanje was dat echt een probleem. Het probleem van het schieten. Van hier is het vijfenfijtig mijl naar Arcachon langs een vrijwel noordgaande kust zo recht als een lineaal. Maar…het is een schietterrein. De havenmeester zei het nogal luchtig: ja, met raketten. Je moet hier doorbrengen. Het beste dat je dan kunt doen is de vouwfiets voor de dag halen en naar het dorp verderop fietsen. Ze bleken daar ook een Nederlandse krant te verkopen!

Intussen worstelde ik met internetverbindingen. Het lijkt zo simpel: wifi is beschikbaar, maar de Franse wifi-signalen werken vaak niet op mijn computer. Ik moet zodra ik weer in de lucht kan komen – hoe weet ik niet- mijn bloglezers waarschuwen dat als ze een tijd niets van me horen ik niet verzwolgen ben door de golven, maar niet kan internetten. Dat bevalt me eigenlijk helemaal niet. Ik wil geen computerproblemen aan boord, heb al mijn handen vol met nautische en huishoudelijke zaken.

Vanmorgen het grote pak open gemaakt dat al die tijd in het vooronder naar me lag te knipogen, wegens mijn 73 ste verjaardag. Wil heeft dat allemaal liefdevol in de winter al klaar gemaakt. Ik wordt gebeld en krijk tekstberichten en ga vanavond in een restaurant hier eten. Het grootste geschenk van de hemel (naast Wil) is een hogedruk gebied met weinig (tegen) wind zodat ik vrijdag 1 naar Arcachon kan varen met een gevaarlijke aanloop en zondag door naar de mond van de Gironde. Het moet zondag want daarna is het weer verboden gebied wegens het schieten. Ik word wel moe van die spanning.

 

Geplaatst door Ben Hoekendijk op 30 June 2011 om 10:52

Page:  1 2  3  4  5  Next >>


Powered by Web Wiz Journal version 1.0
Copyright ©2001-2002 Web Wiz Guide