Na Camaret moet je de Chanel du Four door, ook zo’n gevreesde route met grote stroomversnellingen en als het waait vervaarlijke golven. Maar nu viel het mee. Ik maakte wel acht knopen over de grond, maar er stond niet bijzonder veel zeegang. Er kwam een wedstrijdjacht met gele laminaatzeilen op me af met een Nederlandse vlag en ik maakte foto’s. Toen ik naar de marifoonentenne wees kregen we kontakt. Ze waren op de terugweg van de Race en Rally Rotterdam-Brest. Opeens zei de man: ‘Maar dan bent u zeker Ben Hoekendijk?’ Leuk zo’n moment van kontakt. L’Aberwrac’h is de eerstvolgende haven. Het is eigenlijk een riviertje met een aanloop tussen een zee van rotsen, maar je kunt er tenminste bij elk tij naar binnen. Hier zou ik vijf dagen vast komen te zitten, omdat weer een depressie over ons hoofd zat. Gelukkig kwam ik hier Frits en Ineke Berkel tegen, de voormalige voorzitter van de Kustzeilers en Hylke en Nel Jorritsma. Aan boord van de Pintail hebben we gezellig wijn gedronken en ons lot besproken. Je moet erin berusten. Ook al wil je verder, zee op gaan is uitgesloten. Ik reed met een klein busje met een dikke vrouw achter het stuur naar een nabijgelegen dorp Landes om inkopen te doen. L’Aberwrac’h bestond slechts uit een rijtje huizen, een restaurant, cafe en een enorme zeilschool. Landes bleek een somber plaatsje gebouwd rond een oude kerk met een vreemde grijze toren met aangroei. Een supermarkt, een boulagerie, een patisserie en een cafe, dat was alles. Omdat ik op het busje moest wachten dronk ik koffie in het cafe, waar het onverwacht druk was. Mannen die zwijgend aan de toog naar hun pils kijken en als er een nieuwe binnenkomt een hand uitsteken en de vrouwen worden losjes gekust. Ik dacht: ‘Als ik hier meer dan drie uur zou moeten verblijven ga ik dood.’
Ik lag eerst naast een Frans jacht te rijen, en de Fransman snapte niets van privacy. Hij stapte op m’n boot, soms meteen in de kuip en rommelde wat aan de lijnen. Toen hij later wegvoer ramde hij bijna een ander schip. Ik verkaste naast een armoedig Engels jacht met Nick en Mell, twee verliefde jonge mensen die naar de Carieb wilden. Ze hadden anderhalf jaar vrijgenomen en dit was hun grote droom. Ze vroegen me allerlei over de Caribische eilanden, waar het leuk was en zo. Ik gaf hen de twee jerrycans die ik voor de Golf van Biskaje had gekocht in Falmouth, die had ik niet meer nodig. Maar gezien de staat van hun boot vraag ik me af of ze het halen. Maar ja, jong en vol goede moed, misschien halen ze het juist wel. Er lag nog een Nederlande Victoire 933, net zo’n boot als de Shalom IV, maar veel nieuwer en mooier, de Elsje. De alleenzeilende schipper van zesenzeventig kwam van de grote vaart en gaat na het overlijden van zijn vrouw elk jaar drie maanden zeilen. Later zouden we vaker kontakt hebben. Er was internetverbinding, dus op zichzelf was het geen slechte tijd, alleen je voelt je opgesloten. Je wilt verder, maar kunt niet. Ik wandelde naar de Semafore om foto’s te maken en zag kleurige hagen hortensia’s.
Eindelijk konden we weg. Het werd een hele uittocht. Op zee haalde de Pintail me in in de verwarde zee boven Ile de Batz. Er stonden nog grote golven van de harde wind van de laatste dagen. We doken in het gat van Trebeurden en gingen buiten de marina aan een ton liggen. De Elsje bleef buiten, ook al rolde en stampte je als een gek, maar toen het licht groen werd en er dus genoeg water stond om naar binnen te varen, voer ik naar binnen. Heerlijk om op een stille boot te zijn die niet heen en weer gesmeten wordt.
De volgende morgen wachtten we tot het licht weer groen werd en vertrokken met redelijk weer, maar nog wel die hoge deining van de afgelopen dagen. Je vaart onder de Sept Illes door en komt langzamerhand in de monding van de Riviere de Pontrieux met aan het eind de jachthaven van Lezardrieux. De brede monding is opnieuw bezaaid met rotsen en ondieptes. Het tij begon tegen te lopen, maar de golven kwamen nog uit zee. Dat leverde een gigantisch spektakel op. Grondzeeen, steile golven, dwarsgolven. Ik werd genadeloos heen en weer en op en neer gekwakt. Bij het binnenvaren had ik veel steun aan de elektronische kaart, maar maakte toch een fout en zat aan de verkeerde kant van een baken! Dan is de elektronische kaart weer prima om je te tonen waarheen je moet varen om uit het gevaar te komen. Ik vraag me dan af waarom je zo’n stomme fout maakt. Ben je niet meer alert? Ik was door alles toch knap wiebelig op mijn benen. We voeren nu tegen de ebstroom plus de stroom van de rivier in en dat shiet niet op. Met een 3 tot 4 knoop kropen we de lange rivier op. Je komt dan in een andere wereld terecht. Hoge oevers met bomen, luxe buitenhuizen, zeilscholen met bootjes met gekleurde zeilen, allerlei boten om je heen, en na een bocht lag daar in de zon de haven. Meteen was het warm en kon het oliegoed uit. Je kunt je ontspannen. Er was stroom, internet, diesel. Ik dacht: ik ga een dag rust nemen en alles klaar maken voor de oversteek naar Guernsey. De schipper van de Elsje kwam op de borrel. Hij dacht er net zo over, ook omdat de noordenwind pal tegen is. Overmorgen is die wat afgezwakt en kunnen we er tegenin motoren. Je passeert dan de Roches Douvres, een eenzame rotsformatie midden in zee die je passeert als je naar Guernsey vaart.
Ik liep de berg op naar het dorpje waar een markt was en kocht een flink stuk vis en veel groente en fruit. Wat een schattig plaatsje. Overal grote bloembakken met uitbundig bloeiende bloemen. De markt is duidelijk het hoogtepunt van de week. Het is er gezellig en druk en bij de geldautomaat ontmoette ik andere Nederlanders, als bootmensen te zien aan hun schoenen. Zij gaan juist de andere kant op, naar Bretagne. Al met al was Lezardieux een prima stopover op weg naar het meer-dan-Engelse Guernsey waar ik morgen hoop aan te komen.
Het stuk langs de Roches Douvres naar Guernsey heb ik de wind pal tegen en een hoge zee. Tot de rotsen met een vuurtoren erop kunnen we zeilen en ik houd de Elsje keurig bij, en denk: het valt wel mee met de aangroei. Maar voorbij de rotsen die middenin zee liggen moeten we hoger aan de wind varen en wordt het motor-zeilen. De eilanden Jersey en Guernsey met Sark en little Sark komen prachtig in beeld. Wat heb ik hier veel herinneringen liggen. Helaas mis ik de Scheep Race die juist dit weekend gehouden wordt op Sark. In de haven van Peter Port blijf ik in de buitenhaven om morgen meteen weg te kunnen als het tij het toelaat. Ik meer af naast Hans van de Elsje en we drinken een biertje. De knagende eenzaamheid van de afgelopen maanden lijkt voorbij te zijn, er liggen trouwens veel meer Nederlanders in de haven. Guernsey is veranderd. De leuke oude overdekte markt is veranderd in een verzameling dure boetiekjes en de oorzaak ligt voor anker voor de haven, het gigantische cruiseschip, volgens mij de Statendam waarvan de tenders af en aan varen.
In het stuk van hier naar Cherbourg moet je door de Alderney Race, een stroomversnelling vergelijkbaar met de Raz du Sein en het Chanel du Four. Het is begrijpelijk als je de kaart ziet, het tij dat van de Atlantische Oceaan komt stuwt zich tussen de eilanden op en enorme stroomrafelingen en steile golven zijn het gevolg. Hans en ik zeilen door de Little Russel en dan roept hij me op kanaal zestien op met de mededeling dat hij een net in z’n schroef heeft. Ik zeg dat ik standy blijf en hem eventueel de haven in zal slepen. Hans gaat aan het werk in z’n zwembroek op de zwemladder en weet het vijftien meter grote net waarin nog een paar dode vissen vastzitten los te snijden, een geweldige prestatie. Samen varen we de Race in en worden genadeloos heen en weer en op en neer gesmeten. Ik zit uren aan het roer omdat ik deze afstraffing de Autohelm niet wil aandoen. Van eten komt niets. Op een gegeven moment maak ik 9.5 knopen over de grond! We scheuren langs Cape de la Hague en bereiken een uur na hoogwater Cherbourg. Ik wil droogvallen omdat mijn aangroei me een halve of misschien wel een hele knoop langzamer maakt dan precies dezelfde Victoire van Hans. Maar als ik langs een muur die daarvoor vaker gebruikkt wordt probeer langszij te kom en loop ik vast en kom met veel motorgeweld ter nauwernood los. Er is ook geen trap of iets waaraan ik mijn landvasten kan vastmaken. Ik laat het plan varen, dan maar langzamer naar Holland terug en zie bij het zoeken naar een ligplaats in de grote marina de Pooh van Henny en Hanneke ten Damme. Dit zestigvoets alumineum jacht zag ik voor het eerst in Marinique en Hans werkt net als ik voor het blad Zeilen.
Hans zoekt op de steiger een lege plaats voor me en even later zit ik in de kajuit terwijl drie kindertjes vrolijk met hun leven spelen op het dek. Henny is deze winter ‘even’ overgestoken naar de Carieb en is nu met z’n gezin met vakantie. Herinneringen uit die tijd in Martinique komen boven. Ik ga voor twee dagen betalen bij de Capitainerie, want alles is op en ik ben uitgeput. Maar voordat ik terug aan boord van m’n eigen schip ben ga ik nog langs de Elsje en hoor dat er toch schade is van het net in de schroef: Hans heeft geen achteruit meer. Maar hier de wal op kost een kapitaal. Hij gaat van hier rechtstreeks naar Le Havre en Holland en daar repareren. Het net heeft dus nog een gevolg, ook financieel. Er liggen veel Nederlanders hier. Ik zie Kustzeilersvlaggetjes en hoor van een ander schip dat ze op mijn pilot varend hierheen zijn gekomen. Dus de komende tijd heb ik wel de noldige aanspraak.
|